Een interview begint pas echt als de voorbereide vragen op zijn. Dat klinkt als een paradox, maar iedereen die weleens met een opnameapparaat tegenover een gesprekspartner heeft gezeten, herkent het moment waarop het gesprek van script naar echte uitwisseling verschuift. Juist die overgang — van voorbereide vraag naar oprechte nieuwsgierigheid — bepaalt of je straks iets bruikbaars hebt om mee te werken, of een keurig gestructureerd niets.
De vragenlijst als valse zekerheid
Ik maak vragenlijsten. Altijd. Voor elk interview dat we bij dit bureau doen, zit ik van tevoren een halfuur te typen: onderwerpen, invalshoeken, een logische volgorde. Dat is nuttig werk. Het dwingt je om na te denken over wat je eigenlijk wilt weten, en het geeft je gesprekspartner het gevoel dat je serieus bent. Maar de lijst is geen script. Zodra je hem als script behandelt, verlies je iets wat veel moeilijker terug te halen is: de aandacht voor wat er werkelijk gezegd wordt.
Vorig jaar werkten we aan een reeks interviews voor een onderwijsinstelling — docenten die vertelden over hun aanpak in de klas. De eerste gesprekken verliepen netjes. Vraag, antwoord, volgende vraag. De teksten die eruit kwamen waren correct, informatief en volkomen vergeetbaar. Pas bij het derde interview, toen ik mijn lijst even niet kon vinden in mijn tas en dus simpelweg begon te luisteren, merkte ik dat een docent halverwege een zin iets zei dat ik normaal gesproken voorbij had laten gaan. Ze zei: “Eigenlijk deed ik het vroeger precies andersom.” Ik vroeg wat ze bedoelde. Wat volgde was het beste fragment van de hele reeks.
Doorvragen is een vaardigheid, geen eigenschap
Er is een hardnekkig misverstand dat goede interviewers gewoon nieuwsgierige mensen zijn, en dat nieuwsgierigheid iets is wat je hebt of niet hebt. Dat klopt niet. Doorvragen is een techniek, en zoals elke techniek kun je hem oefenen en bewust inzetten.
De kern ervan is simpel: je herhaalt een deel van wat iemand net zei, in vraagvorm. Niet als papegaai, maar als uitnodiging. Als iemand zegt “dat liep uiteindelijk anders dan verwacht”, vraag je niet “en hoe voelde dat?” maar: “Hoe had je het dan verwacht?” Dat is een ander soort vraag. De eerste vraagt naar emotie, wat mensen vaak in een verdedigende modus brengt. De tweede vraagt naar de verwachting, wat mensen terugleidt naar een concreet moment in het verleden — en concrete momenten leveren concrete verhalen op.
Een andere techniek die ik van een oud-collega bij de regionale krant heb geleerd: zeg niks. Echt niks. Als iemand klaar lijkt met een antwoord, wacht je drie seconden langer dan comfortabel voelt. Die stilte vult de gesprekspartner zelf op, bijna altijd met iets wat dichter bij de kern zit dan het antwoord dat er net aan voorafging. Het werkt in persoonlijke gesprekken, het werkt via videocall, en het werkt zelfs in schriftelijke interviews als je de vraag breed genoeg formuleert en mensen de ruimte geeft om verder te schrijven dan ze van plan waren.
Wat je doet met wat je niet verwacht had
Stel dat je doorvraagt, dat de stilte valt, en dat je gesprekspartner je iets vertelt wat je niet had voorzien. Dan begint een ander probleem: wat doe je daarmee? Niet elk onverwacht antwoord is goud. Soms is het een uitstapje dat nergens naartoe leidt, soms is het een verhaal dat de gesprekspartner interessant vindt maar dat voor de lezer geen functie heeft.
Hier is redactioneel oordeel nodig, en dat oordeel kun je niet uitbesteden aan een vragenlijst. Je moet in het gesprek al nadenken over de tekst die je straks schrijft. Dat is een dubbele concentratie die moe maakt, maar die je niet kunt omzeilen. Ik stel mezelf tijdens een interview één terugkerende vraag: “Zou ik dit willen lezen?” Niet als journalist, maar als iemand die dit onderwerp vaag interessant vindt maar er verder niks mee te maken heeft. Als het antwoord nee is, laat ik het los. Als het antwoord ja is, ga ik er dieper op in, ook als dat betekent dat ik mijn vragenlijst voor de rest van het gesprek links laat liggen.
Bij de onderwijsreeks betekende dat concreet: de docent die vertelde dat ze vroeger alles andersom deed, bleek haar aanpak volledig te hebben omgegooid na een mislukking die ze aanvankelijk niet wilde benoemen. Ik vroeg er drie keer naar, op drie verschillende manieren. Uiteindelijk vertelde ze het. Dat werd de opening van het stuk. De vraag die ik had voorbereid over haar lesvoorbereiding heb ik nooit gesteld.
Interviewtechniek en contentstrategie zijn hetzelfde gesprek
Hier wil ik even een stap terug doen, want dit gaat verder dan interviewtechniek alleen. Als je content maakt voor een merk of een organisatie — wat wij bij Algra Media vrijwel altijd doen — dan ben je eigenlijk een vertaler. Je vertaalt wat een organisatie weet of doet naar iets wat een lezer begrijpt en onthoudt. Die vertaling lukt alleen als je weet wat er werkelijk te vertalen valt.
Dat klinkt vanzelfsprekend, maar in de praktijk zie ik dat opdrachtgevers vaak al een idee hebben van het verhaal dat ze willen vertellen voordat het interview heeft plaatsgevonden. Ze sturen een briefing met kernboodschappen, een tone-of-voice document, een lijst met thema’s die “zeker aan bod moeten komen”. Al dat materiaal is nuttig als context, maar het mag nooit de ruimte dichtdrukken die een goed interview nodig heeft om iets echts op te leveren.
De vragenlijst die ik maak is dus eigenlijk een gesprek met de opdrachtgever vóór het gesprek met de bron. Ik toets aan de briefing, maar ik reserveer altijd ruimte voor wat ik niet weet. Die ruimte is waar de bruikbare content vandaan komt. Een verhaal dat precies doet wat de briefing zei dat het moest doen, is zelden een verhaal dat blijft hangen.
Wat dit betekent voor hoe je een gesprek voorbereidt
Als je morgen een interview hebt — voor een blog, een casestudy, een podcast, wat dan ook — zijn er een paar dingen die je kunt doen om de kans te vergroten dat het gesprek verder gaat dan de voorbereide vragen:
- Schrijf je vragen op, maar markeer er twee of drie als “verplicht” en behandel de rest als “optioneel als er tijd is”. Zo geef je jezelf toestemming om af te wijken.
- Lees je vragen de avond van tevoren nog een keer door en stel je voor wat een goed antwoord zou zijn. Als je het antwoord al weet, schrap de vraag dan. Je zoekt naar de vragen waarop je het antwoord niet kunt voorspellen.
- Begin het interview met een open vraag die je gesprekspartner de ruimte geeft om zelf een richting te kiezen. “Vertel me iets over je werk dat mensen zelden vragen” is zo’n vraag. Het antwoord vertelt je meteen waar de energie zit.
- Schrijf tijdens het gesprek niet alles op, maar markeer de momenten waarop je denkt: dit had ik niet verwacht. Die momenten zijn je ankers voor de tekst die volgt.
- Eindig elk interview met: “Is er iets wat je had verwacht dat ik zou vragen, maar wat ik niet gevraagd heb?” Die vraag levert vaker iets op dan je denkt.
Tot slot
De tweede vraag is beter dan de eerste omdat de eerste vraag altijd over jou gaat — over wat jij wilde weten voordat het gesprek begon. De tweede vraag gaat over wat er in het gesprek is gebeurd. En dat is het enige materiaal waar je straks iets mee kunt.
Ik heb dit geleerd in regionale journalistiek, waar je interviews deed met mensen die geen mediamachine achter zich hadden en die gewoon vertelden wat er was. Dat directheid mis ik soms in de contentopdrachten die we nu doen, maar de techniek werkt overal hetzelfde. Luister beter dan je voorbereide vragen toestaan. Vraag door op het moment dat je gesprekspartner iets zegt wat je niet had verwacht. En vertrouw erop dat het verhaal dat je niet had gepland, vrijwel altijd beter is dan het verhaal dat je wel had gepland.
