Er zijn van die gesprekken waarbij je na een uur opname thuiskomt, je aantekeningen doorleest en denkt: dit is niks. Niet omdat de persoon onaardig was, niet omdat je de verkeerde vragen stelde, maar omdat je gesprekspartner zo gewend is geraakt aan zijn eigen expertise dat hij allang niet meer weet wat er interessant aan is. Hij praat in conclusies. Hij slaat de stappen over. En jij zit met een opname vol zinnen die kloppen maar nergens landen.
Dit overkwam ons een paar maanden geleden bij een opdracht voor een onderwijsinstelling. We moesten een reeks portretten maken van docenten die iets bijzonders deden in de klas. De eerste docent die we spraken was een wiskundeleraar met twintig jaar ervaring, winnaar van een interne onderwijsprijs, zichtbaar trots op zijn vak. En toch: het gesprek leverde bijna niks bruikbaars op. Niet zijn schuld. Wel ons probleem om op te lossen.
Waarom experts zo moeilijk te interviewen zijn
Het heeft te maken met wat je de vloek van kennis zou kunnen noemen: als je ergens heel goed in bent, vergeet je hoe het voelde om het nog niet te weten. Die wiskundeleraar kon me in drie zinnen uitleggen hoe hij abstracte begrippen toegankelijk maakte, maar die drie zinnen waren voor hem zo vanzelfsprekend dat hij er zelf geen verhaal meer in zag. Hij dacht dat hij me niks nieuws vertelde. Terwijl hij me precies vertelde wat ik nodig had — alleen zonder de context die het voor een lezer begrijpelijk maakt.
Het probleem is dus niet dat experts te weinig weten. Het probleem is dat ze te veel weten om nog te voelen waar de drempel zit. En als interviewer is het jouw taak om die drempel te vinden en er samen overheen te stappen, ook als je gesprekspartner hem allang niet meer ziet.
Terug naar het begin: de techniek van de terugspoel-vraag
Wat hielp in dat gesprek met de wiskundeleraar, was een simpele interventie die we de terugspoel-vraag zijn gaan noemen. Elke keer als hij een conclusie uitsprak, vroegen we hem om een stap terug te gaan. Niet met “kunt u dat toelichten” — dat is te vaag en nodigt uit tot nog meer samenvatting — maar met iets specifieks: “Wat deed je de eerste keer dat je dit probeerde?” of “Hoe zag die les er concreet uit, wat stond er op het bord?”
Die laatste vraag was de sleutel. Zodra hij begon te beschrijven wat er letterlijk op het bord stond, veranderde zijn taalgebruik. Hij werd langzamer. Hij zocht naar woorden. En precies in dat zoeken zat het verhaal: hij beschreef hoe hij een formule in drie kleuren had opgeschreven omdat hij had gemerkt dat leerlingen de structuur ervan niet zagen als alles in dezelfde kleur stond. Dat was het. Dat ene concrete detail gaf me meer dan het hele eerste uur van het gesprek.
Hoe je een interview voorbereidt als je weet dat het lastig wordt
Je kunt dit soort gesprekken niet volledig voorspellen, maar je kunt je er wel op voorbereiden. Wat wij inmiddels standaard doen bij opdrachten waarbij we experts interviewen, is vooraf een lijst maken van niet de vragen die we willen stellen, maar de momenten die we willen vinden. Het verschil klinkt subtiel maar is groot.
Een vraag is: “Hoe maak jij abstracte stof toegankelijk?” Een moment is: een situatie waarin een leerling iets eindelijk begreep, of juist helemaal niet begreep, en wat er toen gebeurde. Als je op zoek gaat naar momenten in plaats van antwoorden, stel je automatisch andere vragen. Je vraagt naar specifieke lessen, naar namen van leerlingen die je gesprekspartner zich nog herinnert, naar wat er die dag anders ging dan normaal. En experts die in conclusies praten, komen via die route vaak toch bij het concrete uit.
Daarnaast helpt het om voor het gesprek iets te lezen of te bekijken van de persoon zelf: een eerder interview, een presentatie, een tekst die ze schreven. Niet om die inhoud te herhalen in het gesprek, maar om te weten welke verhalen ze al kwijt zijn. Zo stuur je het gesprek automatisch naar het onbekende, naar wat ze nog nooit hebben verteld omdat niemand ernaar vroeg.
Wat je doet met de opname als het gesprek tegenvalt
Soms lukt het niet om het gesprek zelf te redden. De tijd is op, de energie zakt weg, je gesprekspartner heeft een vergadering en wordt ongeduldig. Dan kom je thuis met materiaal dat onaf voelt. Wat dan?
Wij luisteren de opname altijd opnieuw, maar dan met een andere instelling: niet op zoek naar de beste citaten, maar naar de momenten waarop de stem van de spreker verandert. Dat klinkt vaag, maar het is verrassend betrouwbaar. Als iemand iets vertelt dat hem echt iets doet — trots, frustratie, verbazing — verandert het tempo van zijn spreken. Hij wordt iets langzamer, of juist iets levendiger. Die momenten zijn de ankers van je verhaal, ook als de woorden die eromheen staan nog niet perfect zijn.
In het geval van de wiskundeleraar vonden we op die manier een passage die we bijna hadden overgeslagen: een zin over een leerling die na jaren contact had opgenomen om te zeggen dat hij dankzij die kleurcode eindelijk wiskunde was gaan begrijpen. Die zin had hij bijna terloops uitgesproken, ergens in het midden van een antwoord dat verder weinig opleverde. Maar die zin was het hart van het portret.
De les die we trekken, en waarom hij breder geldt
Wat dit soort opdrachten ons steeds opnieuw leren, is dat een goed interview niet begint bij de vragen maar bij de bereidheid om te wachten op het concrete. Experts praten graag in abstracties, niet omdat ze hun publiek willen uitsluiten, maar omdat abstractie voor hen de kortste weg is naar de kern. Als interviewer is het jouw taak om die weg iets langer te maken — vriendelijk, geduldig, maar consequent.
En dat geldt niet alleen voor onderwijs. Of je nu werkt voor een zorginstelling, een architectenbureau of een technisch bedrijf: overal waar mensen jarenlang hetzelfde doen, slijten de verhalen die erachter zitten weg uit hun bewustzijn. Ze zijn er nog wel. Ze liggen alleen dieper. Je moet er gewoon naar graven.
Leave a Reply