Er zijn van die interviews waarbij je na afloop denkt: dit had ik ook via een enquêteformulier kunnen doen. De antwoorden kloppen, de quotes zijn bruikbaar, maar er zit niets in wat je niet al wist voordat je de deur opendeed. Dat is zelden de schuld van de geïnterviewde. Bijna altijd ligt het aan de vragen.
Ik leerde dit het hardst tijdens een opdracht voor een onderwijsinstelling die een reeks portretten wilde van docenten die iets bijzonders deden in de klas. Twaalf docenten, twaalf verhalen, zes weken. Op papier een prettige klus. In de praktijk een cursus in het verschil tussen vragen stellen en doorvragen.
De vragenlijst als valse veiligheid
Wij gaan altijd met een vragenlijst naar een interview. Niet omdat we die van A tot Z afwerken, maar omdat de voorbereiding je dwingt om na te denken over wat je eigenlijk wilt weten. Je schrijft tien vragen op, en ergens in dat proces merk je dat vraag drie en vraag zeven eigenlijk hetzelfde zijn, en dat vraag acht de enige is waar je echt iets van verwacht.
Bij die docentenreeks had ik voor elk gesprek een standaardset opgesteld: hoe ben je in het onderwijs terechtgekomen, wat doe je anders dan je collega’s, wat leer jij zelf van je leerlingen. Nette vragen. Open vragen. Vragen die een getraind communicatiemedewerker ook zou stellen.
Het probleem was dat de docenten ze ook zo behandelden. Ze gaven nette, open antwoorden. Professioneel, vriendelijk, compleet onbruikbaar voor een portret dat ergens over gaat. Na het derde gesprek had ik het gevoel dat ik steeds dezelfde persoon sprak, alleen in een ander lokaal.
Wat er veranderde na het vierde gesprek
De vierde docent was een vrouw die scheikunde gaf aan vmbo-leerlingen. Ze had iets ontwikkeld met geurproeven — leerlingen identificeerden stoffen op reuk in plaats van op kleur of formule, omdat veel van haar leerlingen moeite hadden met lezen. Ik stelde mijn standaardvraag: wat doe je anders dan je collega’s?
Ze zei iets als: “Ik probeer te kijken naar wat leerlingen wél kunnen in plaats van wat ze niet kunnen.”
Dat is een prima antwoord. Dat is ook een antwoord dat je in elke onderwijsbrochure kunt vinden. Ik had het kunnen opschrijven, kunnen inpassen, en door kunnen gaan naar vraag vijf. In plaats daarvan zei ik: “Wat bedoel je precies met ‘kijken’? Hoe ziet dat er concreet uit op een dinsdag?”
Dat was de tweede vraag. En die leverde een verhaal op over een jongen die geen enkel vak begreep maar de hele klas kon vertellen welke stof er in de lucht hing zodra hij het lokaal binnenkwam. Die jongen werd het hart van het portret. De geurproeven werden de kapstok. Het stuk schreef zichzelf bijna, maar alleen omdat ik niet tevreden was geweest met het eerste antwoord.
Doorvragen is geen techniek, het is een houding
Er zijn genoeg handleidingen die je vertellen hoe je moet doorvragen: herhaal het laatste woord van de zin, stel de vervolgvraag als een kind zou doen (“maar waarom dan?”), gebruik stilte als instrument. Die tips kloppen allemaal, maar ze missen iets wezenlijks.
Doorvragen werkt alleen als je oprecht nieuwsgierig bent naar wat er achter het antwoord zit. Een geïnterviewde voelt het verschil tussen iemand die een techniek toepast en iemand die echt wil begrijpen wat er bedoeld wordt. In het eerste geval word je hoffelijk verder geholpen. In het tweede geval gaat iemand nadenken, aarzelen, iets zeggen wat ze nog niet eerder zo geformuleerd hebben.
Die scheikunde-docente aarzelde even voordat ze over die jongen begon. Ze zei letterlijk: “Ik weet niet of dit relevant is, maar…” Dat is het moment. Bijna alles wat daarna komt achter “ik weet niet of dit relevant is” is precies wat je zoekt. Het is het moment waarop iemand besluit je iets te vertellen wat niet op de agenda stond.
Wat dit betekent voor de structuur van een interview
Als je weet dat de tweede vraag de betere is, heeft dat gevolgen voor hoe je een gesprek opbouwt. Je kunt niet meer gewoon een lijst afwerken. Je moet ruimte maken voor uitlopers, voor het gesprek dat een andere kant op wil dan je van tevoren bedacht had.
In de praktijk betekent dat voor ons een paar dingen:
- We plannen altijd meer tijd in dan we denken nodig te hebben. Een portretinterview van dertig minuten heeft bij ons minstens vijftig minuten nodig, omdat je de eerste twintig minuten soms bezig bent met het vinden van de ingang.
- We houden de vragenlijst bij de hand maar kijken er zo min mogelijk naar. Als je te veel naar je papier kijkt, mis je het moment waarop iemand iets zegt wat een deur opent.
- We schrijven na elk interview een korte notitie over wat we niét gevraagd hebben. Dat klinkt omslachtig, maar het helpt om patronen te herkennen in je eigen blinde vlekken.
Die laatste gewoonte ontstond na de docentenreeks. Ik merkte dat ik systematisch naliet om te vragen naar mislukkingen. Ik vroeg naar wat werkte, naar wat iemand anders deed, maar nooit naar de les die het hardst aankwam omdat er eerst iets fout ging. Terwijl dat bijna altijd het verhaal is.
Het verschil tussen een quote en een beeld
Er is nog iets wat de tweede vraag doet, en dat is minder voor de hand liggend: ze levert betere beelden op. Niet in figuurlijke zin, maar letterlijk. Als je weet dat een docente geurproeven doet met vmbo-leerlingen, weet je ook waar je de fotograaf naartoe stuurt. Je weet dat je niet een portret wilt van iemand achter een bureau, maar iemand met een flesje in haar hand, omringd door leerlingen die hun neus fronsen.
Wij werken met een vaste fotograaf voor dit soort opdrachten, en een van de dingen die hij altijd vraagt voordat hij op locatie komt, is: “Wat is het ene ding dat ik moet zien?” Als ik dat niet kan beantwoorden, weet ik dat ik mijn interview niet goed genoeg gedaan heb.
Na het gesprek met de scheikunde-docente kon ik hem een heel concreet antwoord geven. Hij maakte een foto van die jongen die zijn ogen dicht had en zijn neus optrok boven een potje met een vluchtige stof. Die foto werd de openingsafbeelding van het portret en later ook gebruikt in de eindpublicatie van de instelling. Niet omdat het technisch de beste foto was, maar omdat hij iets liet zien wat je niet kon uitleggen zonder het te zien.
Dat is wat een goed interview doet voor beeldgebruik: het geeft de fotograaf iets om op te jagen. Een generiek gesprek levert generieke beelden op, want je weet niet wat je moet vastleggen. Een gesprek waarbij je echt ergens bent binnengekomen, geeft richting aan alles wat daarna komt.
Wat je hiervan meeneemt als je zelf interviews doet
Ik schrijf dit niet omdat ik denk dat wij het altijd goed doen. Die docentenreeks begon met drie slappe gesprekken en eindigde pas goed nadat ik mezelf dwong om anders te werken. Maar de les is simpel genoeg om te onthouden.
Behandel het eerste antwoord nooit als het echte antwoord. Behandel het als de voorkant van iets. Jouw taak is om te vragen wat erachter zit, niet om te bevestigen dat de voorkant er netjes uitziet.
Dat betekent soms dat je een gesprek een kant op stuurt die je van tevoren niet had bedacht. Dat voelt oncomfortabel als je gewend bent om controle te houden over een interview. Maar de beste portretten, de stukken die mensen daarna nog onthouden, komen bijna nooit uit het deel van het gesprek dat je had gepland. Ze komen uit het moment waarop iemand zegt “ik weet niet of dit relevant is” en jij zegt: “vertel.”
De vragenlijst is het startpunt. De tweede vraag is het werk.
Leave a Reply