Waarom de tweede vraag altijd beter is dan de eerste

Written by

in

Er is een moment in elk interview waarop je voelt dat het gesprek van richting verandert. Niet omdat je iets slims hebt gezegd, maar omdat je lang genoeg je mond hebt gehouden. De persoon tegenover je heeft zijn voorbereide antwoord gegeven, de versie die hij ook aan zijn moeder zou vertellen, en dan valt er een stilte. Jij vult hem niet op. En dan begint het echte gesprek.

Ik leer dit elke keer opnieuw, ook na jaren in de journalistiek en daarna in dit bureau. Niet omdat ik het vergeet, maar omdat de druk om door te gaan, om productief te zijn, om de interviewtijd goed te benutten, altijd aanwezig is. Zeker als je voor een opdrachtgever werkt die rekent op resultaat en jij weet dat het eindproduct een keurig artikel van zeshonderd woorden wordt voor een vakblad of een interne nieuwsbrief. Dan is de verleiding groot om je lijst af te werken. Vraag één, vraag twee, vraag drie, bedankt, tot ziens. Maar de mooiste zinnen die ik ooit heb opgeschreven kwamen nooit uit vraag één.

De vraag die je niet hebt voorbereid

Een tijdje geleden werkten we voor een onderwijsinstelling die een reeks portretten wilde laten maken van medewerkers die al meer dan twintig jaar in dienst waren. Het idee was sympathiek en de opdrachtgever had er duidelijk over nagedacht: mensen in het zonnetje zetten, laten zien wat er aan ervaring rondloopt in de organisatie. Ik sprak met een conciërge die al drieëntwintig jaar in hetzelfde gebouw werkte. Hij had zijn antwoorden klaar. Hoe hij begonnen was, wat hij mooi vond aan zijn werk, dat hij de leerlingen zag opgroeien. Allemaal waar, allemaal netjes, allemaal bruikbaar voor een portret dat niemand zou bijblijven.

Ik had mijn vragen gesteld, hij had zijn antwoorden gegeven, en er was een stilte. Ik keek naar mijn notitieblok en hij keek naar zijn handen. En toen vroeg ik, zonder dat ik het had gepland: “Wat is het raarste dat je hier ooit hebt gevonden?” Hij lachte. Niet het beleefde lachje van iemand die een interview doorstaat, maar echt. En daarna vertelde hij over een koffer vol oude schoolrapporten uit de jaren zeventig die hij had aangetroffen in een afgesloten ruimte, rapporten van leerlingen die nu opa’s en oma’s waren, met handgeschreven opmerkingen van leraren die er al lang niet meer waren. Hij had ze niet weggegooid. Hij had ze bewaard, in zijn kast, omdat hij niet wist van wie ze waren en het ook zonde vond.

Dat verhaal stond in de eerste alinea van het portret. De opdrachtgever stuurde een berichtje dat ze het “verrassend gevonden” hadden, wat in mijn ervaring betekent dat het beter was dan verwacht. Maar het punt is: die vraag had ik niet op mijn lijst. Hij ontstond omdat ik niet doorging naar de volgende vraag.

De les die ik hieruit trek is niet dat je je voorbereiding moet weggooien. Een goed interview begint met huiswerk: weten wie je tegenover je hebt, weten wat de context is, weten wat de opdrachtgever wil. Maar die voorbereiding is een vloer, geen plafond. Je lijst van vragen is er om te zorgen dat je niet met lege handen thuiskomt, niet om het gesprek te sturen als een trein op rails. Het echte werk begint op het moment dat je iets hoort wat je niet had verwacht en je beslist om daar naartoe te rijden in plaats van op schema te blijven.

Wat helpt is om tijdens een interview te onderscheiden tussen twee soorten luisteren. Het eerste is het luisteren waarbij je al bezig bent met je volgende vraag terwijl de ander nog praat. Dat is het meest voorkomende en ook het minst vruchtbare. Het tweede is het luisteren waarbij je de ander echt volgt, waarbij je opmerkt dat hij even aarzelt bij een bepaald woord, dat hij iets noemt en er dan snel overheen gaat, dat hij een zin begint en hem anders afmaakt dan je had verwacht. Die tweede manier van luisteren kost meer energie, maar het levert de tweede vraag op. De vraag die je niet had voorbereid en die het gesprek opent.

Wat dit betekent voor content die je voor anderen maakt

Als je voor jezelf schrijft, voor je eigen blog of je eigen kanaal, dan heb je de luxe om te experimenteren. Je kunt een gesprek ingaan zonder plan en kijken wat eruit komt. Als het niets oplevert, schrijf je er gewoon niet over. Maar als je content maakt voor een opdrachtgever, een school, een zorginstelling, een mkb-bedrijf, dan is er altijd een briefing, een deadline, een verwachting. En die verwachting is bijna altijd gebaseerd op de eerste vraag: wat wil je zeggen, aan wie, in hoeveel woorden.

Het probleem is dat de meeste organisaties niet weten wat hun beste verhalen zijn. Ze weten wat ze willen communiceren, dat is iets anders. Ze willen laten zien dat ze innovatief zijn, of betrouwbaar, of menselijk. Maar de verhalen die dat aantonen zitten verstopt in de mensen die er werken, en die mensen vertellen ze niet spontaan omdat ze gewend zijn dat niemand ernaar vraagt. Of erger: ze vertellen ze wel, maar de contentmaker schrijft ze niet op omdat ze niet in de briefing stonden.

Ik heb gemerkt dat het helpt om opdrachtgevers van tevoren te vertellen dat een interview altijd meer oplevert dan de vragen die je meeneemt. Niet als excuus voor gebrek aan voorbereiding, maar als uitleg van hoe het proces werkt. Als ik zeg: “Ik ga drie medewerkers spreken en ik heb een lijst van onderwerpen, maar ik ga ook ruimte laten voor wat er vanzelf naar boven komt,” dan is er soms weerstand. Mensen willen controle over hun boodschap, dat is begrijpelijk. Maar als ik dan uitleg dat de verhalen die vanzelf naar boven komen juist de verhalen zijn die lezers onthouden, dan verschuift er iets.

Het gaat er ook om hoe je de oogst presenteert. Als je terugkomt van een reeks interviews met drie verhalen die precies in de briefing passen en één verhaal dat er dwars doorheen loopt maar veel sterker is, dan is de verleiding om dat laatste verhaal weg te laten. Veiliger. Minder uitleggen. Maar in mijn ervaring is het beter om het te laten zien en te zeggen: “Dit had ik niet verwacht, maar ik denk dat het sterker is dan wat we hadden gepland, en hier is waarom.” Opdrachtgevers die content serieus nemen, waarderen die eerlijkheid. En de anderen, de opdrachtgevers die alleen willen dat je hun boodschap netjes inpakt, die zijn sowieso moeilijk te helpen.

Hoe je dit inbouwt in je werkwijze

Er is een praktisch probleem met de tweede vraag: je kunt hem niet plannen. Maar je kunt wel omstandigheden creëren waarin hij vaker ontstaat. Dat begint met de manier waarop je een interview inricht.

De meeste interviews voor contentdoeleinden zijn te kort. Twintig minuten, dertig minuten, soms minder. Dat is genoeg om een lijst af te werken, niet genoeg om te ontdekken wat je niet wist dat je zocht. Als je de ruimte hebt om dat te beïnvloeden, vraag dan altijd een halfuur meer dan je denkt nodig te hebben. Niet om dat halfuur vol te praten, maar om het te laten bestaan. De wetenschap dat er tijd is, maakt iets los, zowel bij jou als bij de ander.

Wat ook helpt is de volgorde van je vragen. Begin niet met de vraag die het meeste oplevert. Begin met iets kleins, iets concreets, iets waarbij de ander niet het gevoel heeft dat hij een standpunt moet innemen. “Hoe ziet een gewone dinsdag eruit voor jou?” is een betere openingsvraag dan “Wat maakt jouw aanpak uniek?” De eerste vraag nodigt uit tot vertellen. De tweede nodigt uit tot positioneren, en positioneren is het tegenovergestelde van het gesprek dat je wilt.

Noteer tijdens het interview niet alleen wat iemand zegt, maar ook wat je opvalt. Een aarzeling, een bijzin, een woordkeuze die niet klopt bij de rest. Die notities zijn de aanknopingspunten voor de tweede vraag. Soms stel je hem direct, soms pas aan het einde als je merkt dat je er steeds op terugkomt. En soms stel je hem helemaal niet tijdens het gesprek, maar schrijf je hem op voor een vervolgcontact. “Ik zat nog te denken aan iets wat je zei over die rapporten. Mag ik je daar nog één vraag over stellen?” Dat soort berichten krijgen bijna altijd antwoord, en het antwoord is bijna altijd het beste citaat van het hele stuk.

De eerste vraag is noodzakelijk. Hij opent het gesprek, hij laat zien dat je je hebt voorbereid, hij geeft de ander het gevoel dat er een plan is. Maar de verhalen die blijven hangen, de zinnen die je lezer meeneemt naar huis en die nog even nazoemen als hij de volgende ochtend zijn koffie zet, die komen uit de vragen die je niet had gepland. Die komen uit het moment waarop je besluit om niet door te gaan, maar om even te blijven staan bij wat er net gezegd werd en te vragen: wat bedoel je daar precies mee?

Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *